Hans Marijnissen

Hans Marijnissen
Hans F. Marijnissen (Breda 1949) publiceert vanaf 1971 poëzie. In de jaren zeventig schreef hij songteksten; korte verhalen verschenen bij Bruna. Een semi-autobiografische trilogie verscheen tussen 2013‒2015 en vanaf 2014 vier dichtbundels. Een vijfde staat gepland voor begin 2020. Zijn werk is in tientallen bloemlezingen opgenomen. Hans speelde percussie en was werkzaam in de metaalindustrie. Hij neemt deel aan poëzievoor­drachten in Nederland en België en is de huidige voorzitter van de PoëzieClub Eindhoven.

Poëzievlokken

In de stiltecoupé
op weg naar de randstad
viel mijn oog
op witte papiersnippers
op de zitbank, op de vloer,
en ze kwamen van mij.

Een spoor, terug
tot op de wasmachinezolder
via de overloop
en de strijkkamer
naar de voordeur.

Een achtergelaten gedicht
in de borstzak
van een zomershirt
en meegewassen
op katoen, 30 graden,
geen wasverzachter.

Vanaf die waarneming
ging het gedicht
over vallende sneeuwvlokken
en was het niet te ontkennen.

Hans F. Marijnissen

Wat komen gaat

“Ik kan u niet onthouden.
U verandert telkens
en komt nooit eens terug.”

Ze schenkt theewater in
en we drinken het leidingkoud.
Ik hoef geen suiker.

Ze bestudeert minutenlang
het koekje,
als bevroren.
“U moest maar eens gaan.”

Plots staat ze op,
mijn vrouw,
lenig en doelbewust,
en roept ze haar dode kat binnen.

We wachten in de deuropening
op wat komen gaat.

Hans F. Marijnissen

‘Zijn gedichten, strofen en versregels ontstijgen in de meeste gevallen het niveau van de ontelbare, plain vanilla-gedichtjes die in het Hollandse dichtlandschap zo welig tieren.’ – Meander Magazine

Verkeerde jas

Hij is

afhankelijk,
en plaatst zijn voetstappen
in de mijne
lang nadat
ik verdwenen ben.

Hij wil alles zelf doen,
ook als hij niets doet.
“Toen ik dood wilde,
zag ik niet
dat ik weg wilde
van wat ik niet was.”

Het werd een herinnering,
meer niet.
En ja, je kunt
oud nieuws herschrijven.

Hij zag zichzelf,
ontdekte zichzelf,
kwam zichzelf tegen
in anderen.
“Ik had de verkeerde jas aan.”

Hans F. Marijnissen

Geen woord, geen antwoord

Zij overleed te jong en alleen.
De overkant ineens weer relevant:
een bestemming
of een leegte naar voorkeur, een dag- en
nachtswisseling nabij en fors,
de bossen en velden ontkleuren,
leven wordt overleven,
eerst gaat het bezoek,
als laatsten de naasten, ieder zwijgt
en komt te laat vandaag.

Doe en laat wat nog waarde heeft.
Taal waarmee ik te lang speel
groeit als een gewei,
vertakt zich en valt af.
Wat kan ik zeggen, vragen,
de dood nadert dagelijks
en hoort hier thuis.
Ik blijf schaven
tot het geen nut meer heeft,
ben nu nog net op tijd,
en straks te laat, te vaag.

Vraag een kind wat het wil,
een volwassene wat nog kan.
Ongevraagde woorden landen,
tikken op het scherm
of ik kom buiten spelen,
stijgen weer op, verkoold papier
op een thermiek van herinneringen,
buiten mij, voorgoed gekoppeld
aan dat remspoor in de berm,
de verbogen vangrail,
de ontvelde schors.

Het is een boom om het even
wie de appels eet of de zaag pakt.
Het draait om het klokhuis, de pitten.
Dat er geen antwoord is
ligt aan de vraag.

Hans F. Marijninssen

© Hans F. Marijnissen (2019) voor de gedichten op deze pagina. Foto: Babs Witteman, Amsterdam (2017), met toestemming.