Christian van Zitteren (1970) zoekt sinds zijn vroege jeugd naar het Grote Hoe en Waarom. Die zoektocht bracht hem in de troosteloze kruipruimtes van filosofie en mystiek, kosmologie en fysica, muziek en literatuur. In zijn poëzie poogt hij flarden daarvan vast te leggen. De onverbiddelijkheid van de tijd, de noodzaak van verlies en existentiële eenzaamheid spelen hierin een centrale rol. Voorts is hij uiteraard een opgewekt mens.

Feestmaand

December heeft gemis als klank,
haar geur is die van eenzaamheid,
nog vaag zie ‘k de verloren tijd
en weemoed schenkt me bitt’re drank.

Met al mijn zinnen hang ik vast
aan wat eens was en nooit weer komt:
het vroeger leven is verstomd,
het afgeleefde jaar verbrast.

Ik weet wel dat het zinloos is,
toch zing ik flink mijn dodenmis
als hogepriester van de tijd.

Maar niet voor wat verloren ging,
doch wat nooit was, ik nooit ontving.
Tot nieuw verlangen me bevrijdt.

Christian van Zitteren

Ontgeesting

De doolhof die haar steeds verwart,
ontheemt en boeit als een gevang,
is niets meer dan een rechte gang
waarin zij zes jaar reeds volhardt

ondanks de minotaurus die
haar geest meedogenloos verslindt
tot zij verdwaalt, van vrouw weer kind,
in ’t labyrint der dementie.

Toch blijft zij instinctief koket
wanneer zij met de dokter flirt
en sensueel haar sigaret

traag opsteekt en zijn blikken keurt
tot eerdaags op haar laatste bed
de draad van Ariadne scheurt.

Christian van Zitteren

Het jonge leven

Een rijtjeshuis, een klaslokaal,
de tucht, de norm, het vals fatsoen,
waar vastigheid en vol pensioen
een zegen waren, zij het schraal.

De droom prozaïsch en modaal,
geen vergezicht of visioen,
behalve voetbalkampioen
wellicht, de vijle volksmoraal.

En op een zolderkamer sloot
ik mijn hoogmoedig jongenspact
met poëzie, viool en dood;

vervloekte burgerzin en tact
als decadent en zwoer devoot
te leven zonder wurgcontract.

Christian van Zitteren

Atropos

Het late najaar toont zich straf;
een enk’le vlinder, dronken, sloom,
waagt zich nog in de kille stroom
van oostenwind, maar legt het af.

Een doodshoofdvlinder, moe, ontheemd,
vergeten door de dood, de tijd,
zwerft door mijn tuin, zonder verwijt
en zonder hoop. Toch is het vreemd

dat zij mijn snoeischaar uitverkiest
als rustplaats en haar ziel verliest
op ’t instrument van Atropos,

haar naamgeefster. Mijn levensdraad
– zo waarschuwt zij – raakt inderdaad
na vijftig jaren wel wat los.

Christian van Zitteren

De engel van Den Hoorn

Ter fiets geraakt, toen ’t klokje riep
bij nacht, aan de hervormde kerk,
wier toren eeuwen, hoog in ’t zwerk,
Den Hoorn tot baken gaf het Diep,

bezoek ik ’t oude kerkhof, waar
men zelden zijn vakantie viert,
daar dood en graf de schik verstiert
van campinggast en makelaar.

Toch waan ik mij hier op mijn plek
als ik mijn huurfiets tegen ’t hek
der dodenakker achterlaat

en ’t schimmenrijk stil binnentrek
waar d’ engel wacht tot ik ontdek
dat eeuwig vrije tijd bestaat.

Christian van Zitteren

 

Het verschiet

Steeds later wordt het, donker ook,
ik denk aan moeders oude graf,
het leven draaft bepaald bergaf,
de kachel loopt op oliestook.

Dit is warempel echt zo’n nacht
waarop men soms aan graven denkt
en aandacht aan de kachel schenkt
terwijl men ’t leven treurig acht.

Maar zie het van de and’re zij:
dat graf is nog het jouwe niet,
de kachel aangenaam nabij.

Er ligt nog zoveel in ’t verschiet
dat graf en kachel allebei
verbleken bij het Groot Verdriet.

Christian van Zitteren

 

© Christian van Zitteren (2021) voor gedichten en auteursfoto. Meer lezen? christianvanzitteren.nl

Foto’s: Openingsfoto, graphisstudio, Pixabay (link); foto bij Feestmaand: StockSnap, Pixabay (link); bij Ontgeesting: 947051, Pixabay (link); bij Het jonge leven:  Peggy_Marco, Pixabay (link); bij Atropos: MichaelGaida, Pixabay (link); bij Het verschiet: maggyona, Pixabay (link). Pixabay License. Vrij voor commercieel gebruik. Geen attributie noodzakelijk. Foto bij De engel van Den Hoorn: Wikimedia Commons, picture by User:Txllxt TxllxT, Creative Commons licentie CC-BY-SA-4.0 (link)